Woordenboek

  • A
    • Aders zijn de dunne bloedvaatjes waar je bloed doorheen stroomt.

       

    •  De ambulance is een auto die speciaal is ingericht om zieke mensen snel te vervoeren en om eerste hulp te kunnen verlenen. De mensen in de ambulance kunnen de dokters en de zusters in het ziekenhuis alvast waarschuwen dat jullie er aankomen en vertellen wat er mat jou aan de hand is.

          

    • Op deze afdeling werken slaapdokters (anesthesiologen) die je voor een operatie in een speciale slaap (narcose) brengen zodat je niets van de operatie voelt.

    • Anesthesie is een belangrijk hulpmiddel bij operaties of onderzoeken. Een ander woord voor anesthesie is narcose of verdoving. Anesthesie is een speciaal soort slaap die ervoor zorgt dat je niets merkt of voelt van een onderzoek of operatie.

    • Als je in het ziekenhuis ligt, krijg je te maken met verschillende artsen en arts-assistenten (dokters, die opgeleid worden tot kinderarts). Er is altijd één arts die je vaker ziet en die jou en je ouders van de behandeling op de hoogte houdt. Het kan zijn dat de operatie door een andere arts wordt gedaan dan de arts die je in de polikliniek onderzocht heeft. De twee artsen hebben dan natuurlijk wel goed met elkaar overlegd.

  • B
    • B3 is de Kinder- en jeugdafdeling van VieCuri. Dit is de afdeling waar kinderen opgenomen worden in de leeftijd van 0 tot 18 jaar. Hier kom je te liggen als je meerdere dagen in het ziekenhuis moet blijven. VieCuri heeft alleen op de locatie Venlo een Kinder- en jeugdafdeling.

    • Bacteriën zijn piepkleine beestjes die je met het blote oog niet kunt zien. Je kunt ze alleen zien door een microscoop. Door sommige bacteriën kun je ziek worden. Daarom worden bijvoorbeeld spullen in de operatiekamer steriel gemaakt. Dat wil zeggen dat alle bacteriën gedood worden.

    • Beenmerg is de zachte massa die binnenin je beenderen zit. Soms is dit beenmerg niet gezond, dan moet je ander beenmerg krijgen. Je krijgt dan een beetje van het beenmerg van iemand anders ingespoten. Dat heet een beenmergtransplantatie. Soms wordt ook je eigen beenmerg ingespoten nadat het behandeld is.

    • Er zijn meerdere soorten bloed, de zogenaamde bloedgroepen. De bekendste bloedgroepen zijn: O, O+, A+, B+, AB+, AB-, AO en AB.

       

      + spreek je uit als positief en – als negatief. De meeste mensen in Nederland hebben bloedgroep O+ of A+. Het is belangrijk dat een dokter weet welke bloedgroep je hebt, want als je bloed nodig hebt, mag je alleen bloed hebben dat goed voor je is.

    • De dokter laat bloed bij je prikken om het bloed te onderzoeken. Aan het bloed kun je vaak goed  zien als er iets niet goed is in je lichaam. Om bloed bij je af te nemen, krijg je een prik met een holle naald waar bloed doorheen kan en die vastzit aan een buisje waarin het bloed wordt opgevangen. Soms worden er meerdere buisjes bloed van je afgenomen om te onderzoeken. Een prik is niet leuk en kan pijn doen.  

    • Met een bloeddrukmeter kun je van buitenaf de druk van je bloed meten. Hiervoor wordt er een band om je bovenarm gedaan. Deze band wordt strak opgepompt en loopt daarna weer snel leeg. Je bloeddruk zegt iets over je gezondheid.

  • C
    • Op deze afdeling kom je als je problemen hebt met je hart. De dokters die hier werken heten kindercardiologen.

    • Mensen, dieren en planten zijn opgebouwd uit cellen. Dat zijn de allerkleinste levende deeltjes waaruit ze bestaan.

    • Dat wil zeggen dat je geopereerd moet worden. Een chirurg is een dokter die mensen opereert.

    • Wanneer een ziekte lang duurt en steeds terugkomt, noemen we dat een chronische ziekte.

    • Met de CliniClowns speelkoffer kun je altijd in de clownswereld terecht. Ook op de dagen dat de CliniClowns niet aanwezig zijn in VieCuri. In elk laadje van de Speelkoffer is iets spannends te vinden, zoals een lachspiegel met vernieuwende snufjes. Er is een clownsorkest, een spannend evenwichtsspel, leuke filmpjes en nog veel meer.

    • Je kunt een goede of slechte conditie hebben. Als je een goede conditie hebt, ben je fit en niet snel moe. Als je ziek bent is dat vaak niet zo.

    • Bij een CT- onderzoek worden er door middel van Röntgenstralen foto's gemaakt van je lichaam. Je moet heel stil op een bed gaan liggen. Dat bed schuift heel langzaam door een soort ringvormig fototoestel. Je hoort dan een vreemd geluid, het is een soort gebrom. Het onderzoek duurt ongeveer vijftien minuten. Het is geen eng onderzoek.

  • D
    • Darmen zorgen voor de vertering van dat wat je eet en drinkt. Ze halen dat wat je nog aan voedingsstoffen kunt gebruiken eruit en voeren de afvalstoffen (dat wat je niet meer nodig hebt) en dat wat je niet kunt verteren af uit je lichaam.

    • Als je een behandeling, operatie of onderzoek van maximaal één dag moet ondergaan, ga je naar deze afdeling. Aan het eind van de dag, mag je dan weer naar huis.

    • Een depressie is een sombere of neerslachtige stemming, een ernstige dip, die lang duurt.

    • Op deze afdeling behandelen de dokters (dermatologen) kinderen met huidziekten en / of allergieën.

    • Als je zieke nieren hebt, moeten ze een handje geholpen worden.

      Afvalstoffen moeten dan op een andere manier uit je bloed worden gehaald, via je bloed. Dat zuiveren van je bloed heet dialyse

    • Op deze afdeling werken diëtisten die zich met het samenstellen van diëten (aangepaste maaltijden of voedingsvoorschriften) bezighouden.

    • In het ziekenhuis moet je soms een dieet volgen. Dit houdt in, dat je sommige dingen wel of juist niet mag eten.

  • E
    • Een ECG of elektrocardiogram wordt ook wel een hartfilmpje genoemd.
      Om een ECG te maken worden er draadjes (elektrodes) op je lichaam vastgemaakt. Dit gebeurt met een soort gel en kleine zuignapjes of pleisters. Hier voel je bijna niets van. Het ECG-apparaat maakt een grafiektekening op papier. Deze tekening noemen ze het hartfilmpje. Door middel van deze tekening kan de dokter zien hoe jou hart klopt.

    • EEG is de afkorting van Electro EncephaloGram. In dit onderzoek wordt gekeken naar de manier waarop je hersenen werken. 

    • EHBO staat voor Eerste Hulp Bij Ongelukken.

      In een EHBO-cursus leer je wat je moet doen bij grote en kleine ongelukken of als iemand plotseling heel erg ziek wordt. Het is echt eerste hulp; de hulp die je geeft voordat een dokter het van je overneemt.

    • Dit zijn metalen dopjes met draadjes eraan. Deze kunnen bijvoorbeeld op je hoofd of op je borst geplakt worden en worden verbonden met een machine. Je lichaam geeft signalen die door de metalen dopjes worden opgevangen en via de draadjes worden doorgegeven aan een monitor. De monitor zet die signalen om in lijntjes. Aan die lijntjes kan de dokter of verpleegkundige zien hoe het met je gaat.

  • F
    • De kinderfysiotherapeut onderzoekt hoe lenig en hoe sterk je bent, maar ook hoe goed je een opdracht uitvoert. Bijvoorbeeld hardlopen, op 1 been staan of hinkelen. Dat kunnen ook opdrachten zijn die je moeilijk vindt of misschien minder goed kan dan klasgenoten. De kinderfysiotherapeut zoekt uit hoe dat komt en geeft je een advies om te verbeteren.

  • G
    • De mensen van de geestelijke verzorging zijn er om met je te praten als je het moeilijk hebt in het ziekenhuis, bang bent of gewoon even je hart wilt luchten.

    • In iedere cel, in ieder piepklein deeltje van je lichaam zitten genen. Genen bepalen de eigenschappen die je van je (voor) ouders erft. Bijvoorbeeld de kleur van je ogen en van je haar.

    • Een gewricht is een plek waar je je lichaam kunt buigen. Knieën, ellebogen, polsen en enkels zijn gewrichten.

    • Op de gipskamer kom je als een lichaamsdeel, bijvoorbeeld je arm of je been, in het gips gezet moet worden.

    • Op deze afdeling werken de gynaecologen (vrouwendokters) die zich bezighouden met alles wat met de voortplantingsorganen van de vrouw te maken heeft.

  • H
    • Een dun buisje wordt via een ader naar het hart gebracht, om daar te kijken of om een doorgang te verruimen.

    • Op deze afdeling kom je als je een bloedziekte hebt en / of problemen hebt met de aanmaak van je bloed.

    • Hormonen zijn stoffen die je lichaam zelf aanmaakt. In je lichaam wordt vanaf je puberteit het vrouwelijke hormoon oestrogeen gemaakt. Dat zorgt ervoor dat je vruchtbaar wordt en dat je borsten krijgt.

    • Een hartfilmpje wordt ook wel een ECG of elektrocardiogram genoemd.
      Om een harfilmpje te maken worden er draadjes (elektrodes) op je lichaam vastgemaakt. Dit gebeurt met een soort gel en kleine zuignapjes of pleisters. Hier voel je bijna niets van. Het ECG-apparaat maakt een grafiektekening op papier. Deze tekening noemen ze het hartfilmpje. Door middel van deze tekening kan de dokter zien of je hart op de goede manier klopt.

    • Bij een operatie moet het sneetje of de wond die is gemaakt weer netjes dicht gemaakt worden, dit heet hechten. De chirurg doet dit simpelweg met naald en draad. Jij merkt hier niets van, omdat jij dan verdoofd bent. Ook kleine wondjes kunnen gehecht worden, dit doen ze bij de eerste hulp.

    • Bij een hersenonderzoek, ook wel E.E.G genoemd, worden de activiteiten in je hersenen gemeten. Je hoofd wordt opgemeten en er worden een aantal rode stippen op je hoofd gezet met een rood potlood. Vervolgens krijg je een soort badmuts op je hoofd. Hierin zijn een aantal elektroden bevestigd. De elektroden en de huid van je hoofd moeten goed contact maken met elkaar. Om hiervoor te zorgen worden in de gaatjes die je in de badmuts ziet zoutpasta (dit is een soort witte gel) gedaan. Als ze de zoutpasta in de badmuts spuiten voelt dit een beetje raar (net alsof ze een beetje op je hoofd krassen) Tijdens het onderzoek moet je rustig met je ogen dicht blijven liggen. Tijdens het onderzoek zal een aantal keer aan je gevraagd worden om je ogen te openen en te sluiten en eventueel te zuchten.

  • I
    • Specialisme voor kinderen die heel gevoelig zijn voor infecties omdat hun afweersysteem niet goed werkt.

    • Je hebt een infectie als ziektekiemen je lichaam binnengedrongen zijn en zich daar vermenigvuldigen. Als je een infectie hebt in een wond, gaat die wond ontsteken.

    • Een infuus is een plastic slangetje. Via dat slangetje kan de dokter medicijnen en vocht geven. Daarvoor moet je wel eerst worden geprikt. Dit gebeurt meestal in je hand of je elleboog. Voordat je wordt geprikt wordt je huid verdoofd door een verdovende (tover)zalf of spray. Je voelt dan minder van de prik. Om ervoor te zorgen dat het infuus goed blijft zitten wordt het vastgeplakt met een pleister. Daarna komt er meestal een verband omheen.

    • Intensive care betekent intensieve zorg.

      Als je op de Intensive care ligt word je heel intensief behandeld en verpleegd door een speciaal hiervoor opgeleid team van artsen en verpleegkundigen. Je bent via draadjes en slangetjes verbonden met allerlei apparaten die rond je bed staan. Die apparaten helpen de verpleegkundigen om zo goed mogelijk voor je te zorgen en in de gaten te houden hoe het met je gaat.

  • K
    • Op deze afdeling kom je als je geopereerd moet worden aan je kaak. De dokters die hier werken noem je kaakchirurgen.

    • Op deze afdeling werken de mensen die zich bezighouden met alles wat te maken heeft met erfelijkheid (dat wat je van je familie geërfd hebt) en ziekte.

  • L
    • In het laboratorium werken de laboranten. Een laboratorium is een ruimte waar proeven worden gedaan. En er worden stoffen, zoals bloed en urine, onderzocht met microscopen.

       

    • Een ander naam voor een logopedist is spraaktherapeut. Als je problemen hebt met horen, verstaan of begrijpen van taal dan ga je naar de logopedist.

    • Op deze afdeling kom je als je problemen met je longen hebt.

  • M
    • De psycholoog is iemand voor jou om mee te praten. Voor je ouders/ verzorgers is er ook zo iemand: de maatschappelijk werker. Hij (of zij) kan met je ouders praten over de dingen die zij moeilijk vinden of waar zij zich zorgen over maken. Hij kan hen ook helpen met hele praktische zaken, bijvoorbeeld het vrij krijgen van hun werk, het regelen van reiskostenvergoedingen, het regelen van aanpassingen in jullie huis enzovoort.

    • Als je ziek bent dan hoef je gelukkig niet altijd medicijnen te krijgen want je lichaam zorgt er meestal zelf voor dat je weer beter wordt. Als je lichaam je niet zelf beter kan maken moet je soms wel medicijnen krijgen. Medicijnen zijn er dus om je beter te maken of om te zorgen dat je niet zieker wordt.

    • Pillen heb je in alle soorten en maten. Er zijn ronde, vierkante, langwerpige, grote en kleine. Veel pillen kan je met wat water limonade. Van sommige medicijnen is een drankje gemaakt. Het drankje wordt meestal zoet gemaakt zodat het beter smaakt. Misschien vind je het toch niet lekker maar zul je het wel moeten innemen om beter te worden

      Sommige medicijnen moeten via een prik gegeven worden. Daarvoor prik je dan in een spier. Vaak gebeurt dat in je bovenbeen, je bil of je bovenarm. Dit doet natuurlijk pijn.

      Soms ben je zo ziek dat je beter de medicijnen via een infuus kan krijgen. Het medicijn komt dan sneller en beter in je lichaam. Dat komt omdat het medicijn dan via een bloedvat in je lichaam komt.

    • Melatonine is een slaaphormoon. Dat is een boodschapper die je helpt om in slaap te vallen. Je lichaam maakt zelf melatonine aan, maar niet altijd op het noodzakelijke moment, vlak voordat je in slaap zou moeten vallen.

    • Dit zijn ziekten die te maken hebben met de stofwisseling in je lichaam. Je lichaam is opgebouwd uit cellen en elke cel is een klein fabriekje waar stoffen worden gebruikt en gemaakt. Dit heet de stofwisseling. Deze stofwisseling is nodig om bijvoorbeeld te groeien, nieuwe cellen aan te maken en warm te blijven. Als er iets mis is met je stofwisseling, kom je op deze afdeling terecht.

    • Als je in een ruimte gaat waar de lucht heel schoon moet blijven, moet je een mondmasker voor. Een ruimtes waar de lucht bijvoorbeeld heel schoon moet blijven is de operatiekamer. Vaak moet je behalve een mondmasker ook een muts op en een schort voor.

    • Een monitor is een klein computertje dat naast of achter je bed hangt. Jij bent met een aantal draadjes aan dat computertje verbonden. Op de monitor kan de arts of verpleegkundige een aantal dingen aflezen die bij jou gemeten worden. Zoals je hartslag, je bloeddruk en de hoeveelheid zuurstof je in je bloed.

    • Een morfinepompje is een infuus waaraan een pompje zit. Als je op het pompje drukt, krijg je een kleine hoeveelheid medicijn tegen de pijn toegediend. Als je te vaak drukt, gaat de pomp ‘op slot’. Je kunt jezelf dus nooit teveel geven.

    • Een MRI is een heel groot apparaat met daarin een magneet. Als je voor een MRI gaat, moet je alles van metaal afdoen, zoals een broek met een rits en sieraden. Je gaat op een bed liggen en wordt het grote 'fototoestel' ingeschoven. Dit fototoestel lijkt op een soort tunnel. Nu moet jij heel erg stil liggen. Het apparaat maakt foto's van de binnenkant van je lichaam, zoals bijvoorbeeld van je knie of van je hersenen. Het apparaat maakt heel veel herrie, een soort gebonk.

  • N
    • Narcose is een belangrijk hulpmiddel bij operaties of onderzoeken. Een ander woord voor anesthesie is narcose of verdoving. Anesthesie is een speciaal soort slaap die ervoor zorgt dat je niets merkt of voelt van een onderzoek of operatie.

    • Het narcose kapje lijkt een beetje op een vliegtuig kapje. Zoals bijv. straaljagerpiloten er vaak een hebben, het kapje past helemaal over je neus en je mond. Via dit kapje adem je de speciale narcose lucht in. Dit kan een beetje vies ruiken, maar deze lucht zorgt er voor, dat je in de speciale slaap valt. Als je het luchtje ook vies kunt ruiken, dan kun je het wegblazen. Het kan ook zijn dat je de narcose via het infuus krijgt, maar ook dan krijg je een kapje op. Dan komt er alleen maar zuurstof uit het kapje en zal het niet stinken.

    • Op deze afdeling worden te vroeg en/of te klein geboren kinderen verzorgd.

    • Hier worden kinderen met problemen in de hersenen, zenuwen, het ruggenmerg of de spieren onderzocht.

    • Als je geopereerd moet worden dan moet je nuchter zijn. Dit betekent dat je een aantal uren voor de operatie niet meer mag eten en drinken. Dit is heel belangrijk. De arts of verpleegkundige zal je uitleggen hoeveel uren je van tevoren niet mag eten en drinken.

  • O
    • Als je ontslagen wordt uit het ziekenhuis, betekent het dat je naar huis mag.

    • Als een stukje van je huid wordt afgeveegd met een doekje waarop speciale vloeistof zit die je huid extra goed schoonmaakt, wordt dat stukje huid ontsmet.

    • Hier vinden alle behandelingen plaats die te maken hebben met het oog en het zien.

    • Bij een operatie maakt een chirurg (operatiedokter) met behulp van medische instrumenten een snee in je lichaam. Dit doet hij of zij om je van binnen beter te maken. Soms wordt er een stukje uit je lichaam gehaald, bijvoorbeeld bij een blindedarmoperatie. Soms wordt er een lichaamsdeel vervangen, zoals bij een niertransplantatie. Dan wordt een niet goed werkende nier vervangen door een nieuwe nier.

       

      Maar de chirurg kan ook  met schroefjes en plaatjes een gebroken been of arm weer goed aan elkaar maken. 

       

      Voor een operatie ga je meestal onder narcose. Dat is een speciale slaap waardoor je niets van de operatie voelt. Je kunt ook gedeeltelijk verdoofd worden. Dan blijf je wakker en is een gedeelte van je lichaam of alleen het stukje dat geopereerd moet worden verdoofd, zodat je er niets van voelt.

    • Een opname betekent dat je in het ziekenhuis moet blijven. Hoe lang je blijft, is verschillend. Je hebt wel een eigen bed. Als je maar één dag wordt opgenomen, noemen we dat een Dagbehandeling. Als je één of meer nachtjes blijft slapen, dan noemen we dat een opname.

    • Op deze afdeling werken de mensen die zich bezighouden met alles wat te maken heeft met operaties aan het bewegingsapparaat van je lijf (armen, benen, voeten, rug).

  • P
    • Pedagogisch medewerkers werken op de kinderafdeling om ervoor te zorgen dat je naast de minder prettige dingen ook gewone en leuke dingen kan doen. Ze helpen je met het bedenken van wat je de hele dag zou kunnen doen, zoals bijvoorbeeld samen met jou een spelletje doen op je kamer of naar de speelkamer gaan.

       

      Soms kan het wel moeilijk zijn om in het ziekenhuis te liggen en geopereerd te worden of allerlei onderzoeken te krijgen. De pedagogisch medewerker vertelt je wat er met je gaat gebeuren en blijft ook bij je als dat nodig is. Ze kan je leren om met moeilijke situaties om te gaan.

    • Voor kinderen die geopereerd moeten worden om een lichaamsdeel er beter uit te laten zien, zoals bijvoorbeeld kinderen met een hazenlip of met brandwonden.

    • Wie in het ziekenhuis komt, komt meestal eerst op ‘de polikliniek’. Daar kan de dokter je onderzoeken, eigenlijk net zoals bij de huisarts. Hoe het onderzoek precies gaat, is moeilijk te zeggen. Het ligt er aan wat er met je aan de hand is. Een hartdokter zal naar je hart willen luisteren en een longarts zal naar je longen willen luisteren. Bij elk onderzoek zal de dokter je veel vragen stellen. Over hoe je je voelt, waar het pijn doet, of je eerder ziek bent geweest. Hij schrijft alles op. De aantekeningen helpen de dokter om erachter te komen wat je hebt. Als jij zelf vragen hebt aan de dokter mag je die altijd stellen.
      Meestal wil de dokter nog wat testjes laten doen als hij je onderzocht heeft. Hij kan je vragen om wat plas in te leveren om te onderzoeken, of wat bloed te laten prikken. Ook kan hij je naar de röntgenafdeling sturen om een foto te maken. De testjes worden vaak door iemand anders gedaan.

    • Preoperatief betekent letterlijk 'vóór de operatie'. Om je goed op de operatie voor te bereiden, krijg je een preoperatief onderzoek. Je kan voorbereid worden door de anesthesist. De anesthesist vertelt je kort wat er gaat gebeuren tijdens de opname. Tijdens de voorbereidingsmiddag op de afdeling wordt er uitgebreid uitgelegd wat er gaat gebeuren als je opgenomen wordt.

    • Alle kinderen die in het ziekenhuis komen vinden dat wel spannend en zijn soms wel eens een beetje bang, Ze kunnen zich zorgen maken over hun ziek zijn of zelfs bang zijn dat ze niet meer beter kunnen worden. Soms zijn kinderen ook niet gelukkig en gaan heel veel of juist heel weinig eten, soms hebben ze moeite met poepen of plassen nog in bed, worden gepest of zijn bang dat anderen hen niet begrijpen als ze over hun ziekte praten. Meestal kunnen de ouders, de leraren op school of andere mensen hen dan wel helpen om zich weer wat gelukkiger te voelen.

       

      Maar soms is dat niet genoeg ( of weten de mensen om je heen het ook niet zo goed) en dan is het fijn als iemand anders je kan helpen. De psycholoog is zo iemand. Zij (of hij) zoekt samen met je uit waar je goed in bent, waar je je zorgen over maakt of wat je moeilijk vindt en wat je daaraan zou kunnen doen. Ze kan je leren wat je kunt doen om minder bang te zijn, hoe je met bedplassen om kunt gaan, hoe eten weer gewoon voor je kan worden of hoe je aan anderen kunt vertellen wat je hebt.

  • R
    • Een reflex is een automatisch beweging die je lichaam maakt als een ander onderdeel wordt geactiveerd. Bij een algemeen onderzoek test de dokter je reflexen. Hij slaat met een soort hamertje (dit doet geen pijn) op een plekje onder je knie. Als het goed is, schiet je been naar voren. Dit is een reflex. Je hebt nog meer reflexen. Bijvoorbeeld: als je met je hand op iets heets komt, trekt je hand zich automatisch terug zodat je je niet brandt. Dat noemen ze een reflex reactie.

    • Op deze afdeling leren kinderen omgaan met de lichamelijke problemen die ze (tijdelijk of blijvend) hebben overgehouden na een operatie of ziekte.

    • Je hebt in je bloed twee soorten bloedlichaampjes. De witte bloedlichaampjes en de rode bloedlichaampjes.

       

      De rode bloedlichaampjes zorgen voor de verplaatsing van zuurstof in je bloed.

      De witte bloedlichaampjes zorgen voor de afweer en vernietiging van beestjes die je gezondheid bedreigen, zoals bijvoorbeeld bacteriën en virussen.

    • Met behulp van speciale stralen (röntgenstralen) kan er een foto van de binnenkant van je lichaam worden gemaakt. Op deze foto kun je je botten, maar ook je organen, zoals je lever en je hart zien.

    • Rooming-in betekent dat je papa of mama ook ‘s nachts bij je mogen blijven. Ze slapen dan op een opklapbed bij jouw op de kamer.

    • Het ruggenmerg is de zachte massa die binnenin de botten van je ruggenwervel zit. Door je ruggenmergkanaal lopen zenuwen die de spieren en dergelijke in je lichaam aansturen.

  • S
    • Op de kind- en jeugdafdeling is een grote kamer waar je kan spelen: de speelkamer. Er is allemaal speelgoed en er zijn spelletjes om mee te spelen. Er is van alles. Je kunt er ook gewoon even gaan zitten of praten met andere kinderen die ook zijn opgenomen. Je bent dan even weg van je kamer.

       

      Het is verboden voor dokters en verpleegkundigen om je in de speelkamer te onderzoeken of prikken en om andere dingen te doen die jij vervelend vindt.

    • Dit zijn de buisjes die het bloed van je hart naar andere delen van je lichaam vervoeren. Het bloed in slagaders zit meestal vol zuurstof.

    • Steriel betekent: helemaal schoon, zonder bacteriën. De naalden waarmee dokters prikken zijn steriel. En de spullen in de operatiekamers ook. Dan kun je daar niet ziek van worden.

    • Met een stethoscoop luistert de dokter naar je hart, je longen en je buik. Zo kan hij horen of je hart goed klopt, of je goed ademt en of je darmen in orde zijn.

  • T
    • Als je ziek bent, heb je soms ook koorts. Dat betekent dat de temperatuur van je lichaam hoger is dan wanneer je niet ziek bent. De dokter en de zuster willen graag weten of je koorts hebt en hoeveel koorts je dan hebt. Daarom word je getemperatuurd. Je hebt verschillende soorten thermometers. Op de kinderafdeling gebruiken we vaak de oorthermometer.

    • Dit is een specialisme dat zich richt op mensen die ernstig ongeluk hebben gehad.

  • U
    • In de uitslaapkamer kun je rustig wakker worden na een operatie.

      De verpleegkundigen en dokters zijn vlak in de buurt, zodat ze je goed in de gaten kunnen houden.

    • Op deze afdeling worden kinderen die problemen hebben met hun blaas, hun plasser of plasgaatje onderzocht en behandeld. De dokters die hier werken heten urologen.

  • V
    • Als er bloed nodig is voor een onderzoek (meer dan je met een vingerprik kunt geven), dan krijg je een prik in je arm; dat noem je een venapunctie. Een venapunctie wordt gedaan door een arts of door een priklaborant van het priklab.

    • Verpleegkundigen zijn de mensen die de hele dag voor je zorgen als je wat langer in het ziekenhuis moet blijven. Als je wat wilt weten, kun je het hen vragen en ook met problemen kun je bij ze terecht.

    • Als er maar een beetje bloed nodig is voor het onderzoek, krijg je meestal een vingerprik. De vingerprik wordt gedaan door een laborante in het priklab of bij je bed.

    • Een virus is een piepklein deeltje, dat een ontsteking kan veroorzaken als het in je lichaam komt. Je kan een virus op verschillende manieren krijgen. Bijvoorbeeld via de lucht door te hoesten bij een verkoudheid of als je je handen niet goed wast bij diarree.

    • De voedingsassistenten verzorgen het eten op de afdeling. Zij zorgen voor jouw ontbijt, drinken en fruit en de broodmaaltijd tussen de middag. 's Ochtends komen ze bij je langs om je te vragen wat je die dag wilt eten.

  • W
    • Je hebt in je bloed twee soorten bloedlichaampjes. De witte bloedlichaampjes en de rode bloedlichaampjes.


      De witte bloedlichaampjes zorgen voor de afweer en vernietiging van beestjes die je gezondheid bedreigen, zoals bijvoorbeeld bacteriën en virussen.  De rode bloedlichaampjes zorgen voor de verplaatsing van zuurstof in je bloed.

  • Z
    • Als je als patiënt in het ziekenhuis komt, is het belangrijk dat we goed weten wie je precies bent. Daarom ga je eerst naar de inschrijfbalie. Hier vragen ze naar je naam, geboortedatum, adres en wie je huisarts is. Dit gaat in de computer. Nu kan iedereen die in het ziekenhuis werkt jouw gegevens vinden. Uit een speciaal apparaat komt een plastiek kaartje met al deze gegevens en je foto erop. Dit is het ziekenhuispasje. Het ziekenhuispasje moet je altijd meenemen als je naar het ziekenhuis komt.

    • De zintuigen zijn de hulpmiddelen van je lichaam, waarmee je je omgeving kunt verkennen. Je hebt vijf zintuigen: zien (zicht), ruiken (reuk), voelen (tast), horen (gehoor), proeven (smaak). Sommige mensen geloven dat er nog een zesde zintuig bestaat: je intuïtie, een soort extra antenne om dingen te weten.

Scroll voor meer informatie